mijn eerste ateliertje

 

 

 

Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs

1963-1968


In ‘62 deed ik toelatingsexamen voor de avondopleiding van het IVKO in de Gabriël Metsustraat te Amsterdam.
In het voorbereidend jaar vormden zich al snel groepjes ‘gelijkgezinden’, die jarenlang vrienden zouden blijven.
Hans Kuijt, Gerard en Inez van Kerkhof, Marjorie Bal, Hans Hoogland, Marion Herbst, Roeli Hazenberg, Willem Schildmeijer, Joop Hollanders en ikzelf.

Marion en ik gingen naar de vakklas beeldhouwen waar Joop en Willem al een jaar eerder terecht waren gekomen. Hans Kuijt en Gerard kozen voor vrije grafiek. Inez en Marjorie voor edelsmeden en Hans Hoogland voor binnenhuis.
Na een jaar is ook Marion naar edelsmeden gegaan. De meesten van ons hadden een eigen werkruimte of iets wat daarvoor door moest gaan. Mijn ‘atelier’ in de Nieuwe Looiersstraat was een keldertje, met slechts licht door het raam in de deur en een mat draadglas venster achterin.
De huur was zeven gulden in de week. Er was één kraan met spoelbak, elektra en een stookgat. Toch heb ik er een heerlijke tijd gehad. Ik heb er zelfs een half jaar in gewoond. Ik pieste in de spoelbak en poepte op een krant, die ik zorgvuldig dichtplakte en op weg naar mijn werk in de Lijnbaansgracht dropte. Van iemand kreeg ik een plaatijzeren ‘oorlogs’ kacheltje, waar ik hout en kolen in stookte maar ook alle andere brandbare rotzooi. Ik heb er zelfs aluminium in gesmolten om kleine beeldjes mee te gieten.

Op gezette tijden moesten we natuurlijk een feestje bouwen. Als kunststudenten waren we behoorlijk Frans georiënteerd: Franse wijn, stokbrood, kaasjes, muziek en rookwaren.
De feesten waren vrij onschuldig, de ‘paartjes’ waren al langere tijd samen of zelfs getrouwd, de singles waren zoekende, elke nieuwe vriend of vriendin was welkom. Kruisbestuivingen waren niet ongewoon.
We dronken behoorlijk, maar dronken werden we zelden.
Weed, speed, LSD, trippen, paddo’s en hasj, we wisten ervan maar gebruikten het niet.

De ruimte liet het eigenlijk niet toe, maar wij dansten op de nieuwe muziek. POP muziek, weg met die chansons. Ik draaide dat op een ‘draagbare platenspeler’ van Marion. Zelf had ik niet eens een radio. Muziek was niet mijn grootste passie en is dat nog steeds niet.
Wat ik had en wat wij hadden was lol.
Wij hadden allemaal een baantje overdag en gingen 's avonds naar school. In het weekeinde gingen we samen ergens buiten tekenen, naar tentoonstellingen of wandelen.


Hans Kuijt was een echte Zaankanter en de meest belovende onder ons, hij was de eerste op de Academie die ‘vol lof’ afstudeerde en een enveloppe met inhoud kreeg. Een kundig tekenaar en zeer kundig etser die helaas de echte wereld niet aan kon. Op z’n 26e verhing hij zich in z’n atelier. Niemand - zijn vriendin niet, wij als vrienden niet maar ook zijn ouders en broer niet - hadden ‘iets’ in de gaten. Tien jaar later zou zijn beste vriend, op dezelfde datum hetzelfde doen. Van hem wisten wij dat hij niet verder wilde.
Willem en Joop gingen na de ‘Kunstnijverheid’ naar ‘Het Rijks’ om door te studeren. Hans Hoogland ging naast de binnenhuisarchitectuur steeds meer fotograferen en zijn vriendin Marjorie begon een Boetiek genaamd ‘Bougal’.
Marion werd ontdekt in 1969 en Gerard dacht dat hij er al was.

Willem was een lieverd en soms tiran, deed veel wat God verboden had maar wist niet te kiezen, wist niet welke ‘ik’ de sterkste was. Ondanks zijn liefde voor vrouw en kind, ondanks de vriendschap van zijn vrienden besloot hij zich dood te drinken. Dat is hem ten dele gelukt. Hij is dood, maar niet direct door de drank. Nog geen veertig is hij geworden.
Ik zelf besloot dat ik het op m’n 35e ‘gemaakt moest hebben’. Daaronder verstond ik: bekend zijn en van mijn werk kunnen leven. Het is anders gelopen. Een jaar na mijn eindexamen (IVKNO was Gerrit Rietveld Academie geworden) was ik weer terug op de school, maar nu gevraagd als docent. Dat ben ik 25 jaar gebleven. Ik heb daar geprobeerd de studenten o.a. te vertellen wat mij nooit was verteld: n.l. dat het verkopen van je werk een nog grotere kunst is dan het maken, dat bescheidenheid niet past en openbare opdrachten voor velen een noodzaak zijn

 

Marion-Marjorie-Hans H-Hans K-vriendin-Gerard-Inez-Roelie.

 

Marion is de enige van ons groepje die met haar werk internationaal faam verwierf. Tot haar dood in 1995 heeft ze gewerkt aan een geweldig oeuvre.

Hans Hoogland kreeg een hersenbloeding, krabbelde er weer bovenop maar kreeg halverwege de jaren 80 nog een bloeding die hij niet overleefde.

 

 

 

 

 

 

 

n o s t a l g i e

 

In het voorbereidend jaar, begin jaren zestig was één van de opdrachten het maken van een kubistisch werkstuk.Ik schilderde daartoe op een stuk karton een op Braque geënt stilleven met gitaar. Spelen kon en kan ik niet, maar een gitaar had ik wel.

 

 

Om de kost te verdienen werkte ik een aantal jaren van 7.30-13.00 uur bij de fa. Decora op de Lijnbaansgracht in Amsterdam. Wij produceerden daar met vijf man etalagepoppen van polyester, een materiaal dat ik later nog vaak zou gebruiken.

 

 

In de eerste zomervakantie van de IVKNO kreeg ik de kans de reis van m'n leven te maken. Ik monsterde aan op de Zuiderkerk, een vrachtschip met beperkte passagiersaccomodatie voor een reis naar Australië. Als zeventien jarige 'Jongen algemene dienst' werd ik één van de drie bedienden van het dek-en machinekamer personeel. Alle drie onervaren schooljongens die de zee alleen maar van het strand af kenden.

 

 

 

In vier weken voeren we via diverse westeuropese havens en het Suezkanaal naar Adelaide, Australië. Twee maanden duurde de kustreis, lading lossend en weer innemend. Stukgoed, balen, zakken en kratten maar ook een enkele auto en als deklast op een gegeven moment vloeistoftanks. Een paar van de weinige passagiers waren al in Adelaide van boord gegaan, een moeder en dochter zijn verder meegegaan en vermaakten zich met de officieren . Wij mochten niet eens op het 'passagiersdek' komen, en pas zwemmen in het geïnproviseerde zwembad aan dek als de 'dames' geweest waren. Toen er op een nacht brand uitbrak in de machinekamer en iedereen aan dek moest stonden we broederlijk naast elkaar in ons ondergoed.

 

 

 

Ergens midden op de Indische Oceaan vierde ik mijn 18e verjaardag, we waren al weer op de thuisreis. Ook nu kwamen bij Aden en Port Said de handelaren weer langzij met hun 'goedkope' sloffen sigaretten en toeristische snuisterijen. Ik vond hun scheepjes interessanter dan hun handelswaar.

 

 

 

'Deze stoomsleper was toen al 'ver uit de tijd'. Ik weet niet meer waar het was, maar prachtig om te zien was het wel.